Business coach tips – Voor ZZP en ondernemer

Waarom veel organisaties de verkeerde tuinman inzetten en niet klantgericht zijn

Nog voordat ik goed en wel ga zitten in de kamer van Jan Willem, de manager die me heeft uitgenodigd, steekt hij van wal. “Dit is echt iets wat we onder controle moeten krijgen. Onze klanten blijven ontevreden, wat voor acties we ook uitzetten”. Hij is manager van de afdeling Klantreacties en verantwoordelijk voor de afhandeling van klachten bij een grote organisatie. Bij deze organisatie is dat geen ondergeschoven kindje en deze manager probeert oprecht de zaken flink aan te pakken. Toch boekt hij nog weinig vooruitgang. Hoe kan dat?

Hij steekt van wal: “Zodra de klacht via de post of email is ontvangen, wordt er een ticketnummer aangemaakt in ons systeem. Het ticket wordt toegewezen aan één van de mensen van Klantreacties. Zij bekijken vervolgens op welke compensatie de klant recht heeft, soms is dat een bloemetje maar het kan ook om een geldbedrag gaan.” Ik vraag hem of zijn mensen dat zelf mogen beslissen en daar blijken duidelijke regels voor te zijn. “Wel is er vaak navraag nodig bij Operations of Sales. Zij moeten bevestigen dat er zaken mis zijn gegaan. Anders zou elke klant zomaar een klacht kunnen insturen om geld te eisen”. Hoe snel verloopt de afhandeling van zo’n klacht nou?

“Onze mensen besteden gemiddeld minder dan vier uren aan de afhandeling van een klacht”. Dat is weinig! “Dus elke klacht is binnen een halve dag opgelost?” vraag ik voor de zekerheid. “Nee, nu begrijp je me verkeerd” licht  Jan Willem toe. “Onze mensen besteden er niet meer dan vier uren aan, maar dat is verspreid over een aantal dagen of soms zelfs weken”. OK, ik begrijp het. Er is bij deze organisatie een groot verschil tussen het aantal uren dat zijn mensen echt met één klacht bezig zijn (de bewerkingstijd) en de tijd die nodig is voordat alle informatie van alle afdeling binnen is en een klacht is opgelost (de doorlooptijd).

Jan Willem zucht eens diep. We besteden al niet meer dan vier uren aan de afhandeling van een klacht. Vaak gaat het om complexe problemen waar m’n mensen echt in moeten duiken. M’n baas denkt dat de tevredenheid van klanten omhoog zal gaan als we onze snelheid verhogen. Dat komt namelijk uit alle onderzoeken, dat de klanten onze snelheid te laag vinden. En ze klagen ook over de communicatie, maar al m’n mensen zijn uitgebreid getraind op communicatieve vaardigheden. Wat moet ik nou doen om m’n klanten echt tevreden te krijgen?

Ik schiet naar voren op m’n stoel. Nu wordt het leuk! Er zijn namelijk enkele eenvoudige oplossingen voor de problemen van Jan Willem. Zijn probleem is dat hij tot nu toe op de verkeerde plek naar oplossingen heeft gezocht en de voor de hand liggende zaken over het hoofd heeft gezien. Als manager van de afdeling Klantreacties is Jan Willem razend druk. Hij heeft een groot team, dat de afgelopen jaren bovendien snel is gegroeid om de toenemende stroom aan klachten op te vangen. Vanuit het management staat hij onder druk: kan het niet met wat minder? Aan de andere kant staat hij onder druk van klanten: die blijven massaal klachten sturen en verwachten en reactie. Jan Willem is als een tuinman die keihard werkt om z’n tuintje op orde te houden. Maar zodra hij klaar is met onkruid wieden en zich omdraait, komen de eerste nieuwe sprieten alweer omhoog. Wat moet hij doen?

Het probleem van Jan Willem is dat hij zo druk is met het op orde houden van z’n eigen tuintje, dat hij geen oog heeft voor z’n omgeving, de straat waarin z’n tuintje zich bevindt. Die straat bestaat uit allemaal hardwerkende Jan Willems, die niets anders doen dan hun eigen tuintje schoonhouden. Ze werken keihard, maar kijken amper naar hun buurman aan de andere kant van de heg. Samenwerken over de tuintjes heen komt door de werkdruk niet van de grond. Sterker nog: ze werken elkaar zelfs tegen want het afval uit de tuintjes belandt op straat en waait zo de omliggende tuintjes weer in. Iedereen is druk met z’n eigen gebiedje, maar vergeet het geheel: de grotere straat. Daardoor wordt de straat een puinhoop en moet er steeds harder worden gewerkt.

Jan Willem kijkt me verbaasd aan. “Dat verhaal over dat harde werken in m’n tuintje klopt precies, maar dat van die straat begrijp ik niet zo goed. Waar wil je naartoe?” Ik begin met de uitleg: “Jouw afdeling Klantreacties staat niet op zich, maar is onderdeel van een groter geheel. Zo heb jij Operations en Sales hard nodig om klachten af te handelen. Jij kunt wel hard werken, maar als zij niet verantwoordelijk zijn om snel op jullie vragen te reageren, zullen klachten daar veel te lang blijven liggen.” Jan Willem beaamt dat dit inderdaad een groot probleem voor hem is. Het reageren op klachten krijgt vooral vanuit Sales weinig prioriteit, daar staan de verkoopresultaten immers voorop. Sterker nog: omdat salesmanagers zo gericht zijn op verkoop maken ze nog wel eens fouten waardoor klanten achteraf klagen. Zijn gezicht licht op: “Bedoel je dat met afval van anderen wat in mijn tuintje waait?” Ik knik kort.

Dan ga ik verder met m’n uitleg. “Waar jij voor moet gaan zorgen, is dat het oplossen van klachten totaal anders aangepakt gaat worden. Je moet stoppen met keihard werken in je eigen tuintje en de straat op gaan. Die moet op orde worden gebracht. Pas daarna heeft het zin om met je eigen tuintje verder aan de slag te gaan.” Jan Willem twijfelt. “Maar dat is helemaal mijn verantwoordelijkheid niet. Dan moet ik in de weer met allerlei zaken waar andere managers verantwoordelijk voor zijn.” Precies! Daar zit hem in veel organisaties het grote probleem. Veel managers zijn alleen verantwoordelijk gemaakt voor een eigen gebiedje, maar tot in het topmanagement voelt bijna niemand zich verantwoordelijk voor zaken die over de tuintjes heen van belang zijn. Toch zijn het juist de afdelingsoverschrijdende zaken die de klantervaring bepalen. Klanten zien niet tien afzonderlijke tuintjes met hardwerkende mensen, zij ervaren het geheel. Een straat vol puinhoop waar ze niet tevreden over zijn.

“Hoe moet ik daar in hemelsnaam mee beginnen?” verzucht Jan Willem terwijl hij me vragend aankijkt. Ik heb een aantal tips voor hem. Begin met het maken van ketenbrede afspraken, die worden vastgelegd in prestatie-indicatoren. Zo heeft het weinig zin om bij klachten te meten hoe lang jouw mensen over de afhandeling doen. Pak het anders aan. Ga meten hoe lang het duurt vanaf de melding totdat een klacht totaal is opgelost. Dat is namelijk een klant-KPI (key performance indicator), een maatstaf waar het de klant om gaat. Het maakt de klant niet uit hoeveel uren jouw mensen besteden, als ze maar snel een oplossing voor hun probleem hebben. Bovendien sla je dan twee vliegen in één klap. Jan Willem kijkt me vragend aan.

Ik vervolg: die ‘communicatie’ waar klanten nu over klagen heeft waarschijnlijk niets te maken met de vaardigheden van je mensen. Klanten bedoelen daarmee dat ze wekenlang niets van jullie horen nadat ze geklaagd hebben. Als jij afhandeling van klachten veel sneller wordt, zullen klanten niet meer klagen dat ze niets van jullie horen. Jan Willem knikt. Dat is inderdaad een issue dat ook belangrijk is. Toch twijfelt hij.

“Ik kan wel voorstellen om naar de totale afhandeling van een klacht te kijken, maar dan ben ik afhankelijk van anderen voor het halen van m’n eigen KPI. Terwijl een goede target toch juist door mij te beïnvloeden moet zijn?” Ik knik. Dit is een misverstand dat in veel organisaties voor problemen zorgt. Ik leg het uit: “Als jullie allemaal alleen willen worden afgerekend op zaken die je helemaal zelf wilt beïnvloeden, dan blijf je dus alleen op je eigen tuintje gericht. Dan ga je nooit over de heg kijken en met je buurman samenwerken. Dan blijft het een rommel op straat
en blijven je klanten klagen.” Jan Willem knikt: “Dus ik wordt voor het halen van m’n targets afhankelijk van anderen? Dat wordt wel lastig. Maar ja, nu is het ook lastig en schieten we met z’n allen ook niet op.”

Ik leg het verder aan hem uit. Ik vind dat targets die ‘beïnvloedbaar’ moeten zijn vaak verkeerd worden gebruikt. Natuurlijk moet je invloed op je target kunnen uitoefenen. Maar dat betekent niet dat je targets moet krijgen die geïsoleerd van anderen zijn. Uiteindelijk leveren jullie als organisatie met z’n allen een dienst naar je klanten. Als je dat niet goed doet, zullen je klanten weglopen en heb je ook met z’n allen een probleem. Het is leuk als iedereen een eigen verantwoordelijkheid heeft, maar dan moet je juist zorgen dat je de sturing op het geheel, de totale ervaring van de klant, niet negeert of vergeet in je organisatie.

Jan Willem kijkt me peinzend aan: “Als je er op deze manier naar kijkt, dan is juist het managen van het geheel, van onze straat, het lastigst. Die voortuintjes zijn eigenlijk helemaal niet zo belangrijk, het gaat veel meer om het geheel. We zouden veel minder aandacht voor de afdelingen moeten hebben en veel meer voor de totale ervaring van de klant. En dat is nou juist waar wij in onze besturing heel weinig aandacht aan geven. Alles is opgedeeld in zelfstandige afdelingen, met eigen targets, eigen overleggen en eigen budgetten. Dat zouden we dan heel anders moeten aanpakken. Maar dat past helemaal bij hoe we nu georganiseerd zijn. Eigenlijk hebben we al onze huidige problemen aan onszelf te danken. Aan onze strikte manier van werken in aparte afdelingen.”

Ik kijk hem aan met een brede grijns: “Precies, dit is nog maar het begin van écht klantgericht werken. Jouw organisatie staat aan het begin van grote veranderingen als je op deze manier aan de slag gaat. Om als een echte tuinman te praten: de hele boel moet hier op de schop!”

Alle artikelen over klachten op De Glazenwasser kun je hier vinden.

Hoe winkeliers hun klant bestelen en wat jij daar tegen kunt doen

Mensen die me kennen weten het: ik heb een zwak voor gadgets in het algemeen en mooie mobieltjes in het bijzonder. Als ik door een winkelcentrum wandel, ga ik graag even een telecomwinkel in om te kijken naar de uitgestalde toestellen. Heerlijk! Terwijl ik in zo’n winkel naar de toestellen sta te kijken, hoor ik achter me een gesprekje. Een tiener komt met z’n ouders een nieuw toestel uitzoeken. Al snel gaat het gesprek over op het abonnement dat de maximale korting bij het toestel zal opleveren. De verkoper in de winkel laat een paar mooie toestellen zien. Daarna wordt een abonnement uitgezocht dat de maximale korting oplevert. Goed geholpen, een blije klant? Nee en ja!

De tiener is dolblij met z’n mooie toestel en voelt zich uitstekend geholpen. Toch weet ik dat het advies dat hij heeft gekregen helemaal niet zo goed is. Sterker nog: hij is opgelicht! Hij betaalt namelijk veel teveel voor z’n abonnement. Daardoor krijgt hij een kleine korting op het aangeschafte toestel. Maar had hij toestel los gekocht en via internet gekeken naar het abonnement dat het beste bij hem past, dan had was hij goedkoper uit. In veel belwinkels, maar ook in andere sectoren, is dit de gangbare praktijk. Klanten worden uitgebreid geadviseerd. Niet met als doel om de klant optimaal van dienst te zijn, maar met als doel om een produkt te verkopen dat de winkelier de meeste marge oplevert. Oh, wat zijn we klantgericht, niet dus!

Wat kun je daar als klant tegen doen? Heel eenvoudig: zorg ten eerste dat je zelf een beetje weet wat er te koop is. Op internet kun je een schat aan informatie vinden over vrijwel elke aankoop die je zou willen doen. Kijk voor een goed advies over een mobiel abonnement bijvoorbeeld eens op bellen.com. Ga je vervolgens met dit advies op zak naar een winkel, dan weet je in elk geval richtprijzen en zul je nooit veel teveel betalen. Soms zie je op internet zelfs goedkopere aanbiedingen dan in de winkel. Moet je daar op ingaan en alles online aanschaffen? Dat moet je zelf bepalen. Zelf betaal ik graag een beetje meer bij een goede winkel in de buurt. Daardoor kan die winkel om de hoek blijven bestaan, waar ik lekker kan rondneuzen. Maar me laten afzetten voor een te duur mobiel abonnement? Dank je wel, daar ben ik niet voor in.

Ik vind het opvallend dat veel organisaties prediken dat ze klantgericht zijn, maar tegelijkertijd de klant geen echt goed advies durven te geven. In hun commercials zijn zulke organisaties klantgericht, maar in de winkel draait alles nog steeds om de eigen winstmarge. Hoe geloofwaardig ben je dan nog? Klanten die zich een beetje oriënteren weten dat je ze een kunstje flikt. Is het je dat waard? Wil je klantgericht werken, dan moet je het lef hebben om je klant ook écht goed van dienst durven te zijn en een advies te geven dat niet draait om je eigen marge. Doe je dat niet, zoals de belwinkel in het winkelcentrum? Dan zal je klant niet langer met je zaken willen doen dan strikt nodig is en wordt de verbinding met je klant al snel weer verbroken. Tuut-tuut-tuut…

Wat Pipi Langkous ons leert om grote organisaties klantgerichter te maken

Voordat ik als zelfstandige aan de slag ging heb ik een flink aantal jaren bij een groot bedrijf gewerkt. Klantgericht werken was daar een belangrijk onderwerp, maar ook weer niet zo heel erg belangrijk. De klant stond voorop. Maar de portemonnee en dus de verkoopcijfers en winst ook. Om eerlijk te zijn waren die laatste meestal net een beetje belangrijker dan onze klanten. Je kent het wel: je vindt iets heel belangrijk (gezonder leven, afvallen), maar op het moment dat je écht moet kiezen (dat gebakje of biertje laten staan) lukt het niet om te doen wat je van plan was. In een grote organisatie is zoiets nog ingewikkelder.

Jíj weet wel dat de klant belangrijk is, maar je collega’s en management maken toch steeds keuzes die daar niet bij aansluiten. Zij pushen die nieuwe dienst op de markt vanwege de beoogde extra omzet, terwijl jij weet dat het nog vol fouten zit en veel klachten zal opleveren. Wat moet je dan doen? Vaak overviel me op dat moment in het grote bedrijf het Calimero-gevoel: “Ik ben klein en zij zijn groot en dat is niet eerlijk!” Het is een terecht gevoel, maar je schiet er niet veel mee op. Wat kun je dan wel doen?

Er is een andere jeugdheld die hierbij kan helpen: Pipi Langkous!Pipi is niet alleen een schattig meisje, maar ze is ook ondernemend en ondeugend. Sommige mensen moeten daar niets van hebben, zoals de truttige tante Pastellia die het liefst alle ondernemerschap van Pipi aan banden wil leggen. Pipi laat zich echter niet vangen en met haar superkracht en schatkist vol goudstukken is ze elke uitdaging met een grote grijns de baas. Samen met haar vriendjes Tommy en Annika beleeft ze de mooiste avonturen. Waarom is dit voor jou in een grote organisatie van belang?

Als jij jezelf tot Calimero maakt, ben je klein, verongelijkt en doe je niet veel meer dan klagen. Zie je jezelf echter als Pipi, dan is je houding totaal anders. Je gaat op zoek naar je superkracht (je sociale vaardigheden, je analytisch vermogen, je inzicht in de organisatie) en je schatkist (je netwerk binnen de organisatie, toegang tot welwillende topmanagers, of juist de informatie waarover juist jij beschikt). Zet je superkracht en je schatkist in. Stap met een grote grijns de wereld van je eigen organisatie in en ga de uitdaging aan.

Met de Pipi-houding is het klantgerichter krijgen van je organisatie niet langer een uitzichtloze opgave, maar een prachtig avontuur. Welke boeven kom je op je pad tegen? En wat zijn de Tommy’s en Annika’s die je tijdens je avonturen zult ontmoeten die vrienden voor het leven worden? Omarm de uitdaging en denk erom: laat je niet kisten door de tante Pastellia’s. Zij keuren alle ondernemerszin toch af en daar heeft een echte Pipi geen boodschap aan. Ik wens je veel eigenwijsheid en een prachtig klantgericht-avontuur.

De tragiek van de sprintende marathonloper

Vroeger op school deed ik altijd hard m’n best… om een zeventje te halen. Nu was zo’n cijfer vrij makkelijk te halen, dus eerlijk gezegd hoefde ik er nooit echt hard voor te werken. De ‘magische zeven’ compenseerde onvoldoendes en gaf toegang tot een mooie toekomst. Langzamerhand begon de waarde van het zeventje in m’n leven te veranderen. Tegen het einde van m’n studie kon ik me steeds meer toeleggen op wat ik echt leuk vond. Een zeven werd toen een mager resultaat en ik ging steeds harder werken om echt wat goeds neer te zetten. M’n ambitie verschoof van een zeven naar een acht of hoger.

Als zelfstandig ondernemer ligt de lat nu nog hoger. Ik wil geen middelmaat leveren, maar echt goed zijn in m’n vak. Ik ga nu voor de negen! Voor een zakelijk succesvolle toekomst is het zeventje allang niet meer genoeg. Toch zijn lang niet alle organisaties zich hier van bewust. Nog te vaak zie ik bedrijven die tevreden zijn met een zeventje, met een klanttevredenheid van 80% of met een NPS score van rond de 5%. Zulke organisaties lopen een groot risico.

In steeds meer industrieën is de concurrentie zwaar. Wereldwijde aanbieders dingen naar de gunsten van jouw klant. Een zeventje is dan niet meer genoeg om je te onderscheiden. Je moet minimaal een negen zijn om klanten te trekken. Is dat moeilijk? Ja en nee. Er is namelijk ook goed nieuws: om een topper te zijn, hoef je niet alles goed te kunnen.

Kijk maar eens naar een topsporter: die kan veel, maar lang niet alles. Een voetballer hoeft niet gracieus te kunnen dansen, een sprinter hoeft geen marathon te lopen. Hetzelfde geldt voor bedrijven. Juist de wereldwijde globalisering biedt enorme kansen voor specialismes. Een mooi voorbeeld vind ik Apple. Het bedrijf is sterk in ontwerp en design en scoort daarin absoluut een negen. In klantenservice of distributie zijn ze echter een zeventje en produktie wordt zelfs geheel uitbesteed. Toch is dit voldoende om een grote schare fans op te bouwen.

Een topsporter is continu bezig om nog beter te worden in z’n specialisme. Alleen zo kan hij de wedstrijd winnen. Maar hoe gaat jouw organisatie hier mee om? Op welke onderdelen moet jij uitblinken om voor jouw klant een wereldkampioen te zijn? Is je organisatie een sprinter of een marathonloper? Of probeer je tevergeefs beide en word je uitgeschakeld door concurrenten die zich wél specialiseren en harder kunnen sprinten of een betere marathon lopen?

Vroeger op school moest je voor alle vakken een voldoende halen, nu hoeft dat niet meer. Je bent vrij om je toe te leggen en je talenten te ontwikkelen. Klantgericht werken vraagt om topprestaties en die kun je alleen leveren als je kiest. Waar ligt jouw negen? En welke zesjes laat je liever door een ander uitvoeren? Als je niet kiest, eindig je als een sprintende marathonloper die keihard traint terwijl anderen er met de prijzen vandoor gaan. Tragisch.

Demotiveren doe je zo!

Financiële bonussen zijn vaak niet geschikt om klantgericht gedrag te stimuleren, zo laat Daniël Pink zien in zijn interessante boek ‘Drive’. Wil je geen dikke pil lezen, dan kun je overigens deze korte video bekijken en ben je volledig op de hoogte van z’n ideeën.

Helaas gaat het er in veel organisaties nog niet zo aan toe als Pink zou willen. Docent Punya Mishra gaf zijn studenten, na een vak over ‘motivatie’ waarin de video van Daniël Pink werd bekeken, de taak om demotiverende posters te ontwikkelen. Het resultaat? Dat mag er zijn! Z’n studenten ontwierpen  posters waar je niet graag naar kijkt, maar die een motto bevatten dat in (te) veel organisaties geldig is. Hoe gaat jouw organisatie in de praktijk om met creativiteit, talent of samenwerking als het gaat om het oplossen van klantproblemen? Welke posters hangen er bij jullie op de gangen en hoe dicht zit dat bij de werkelijkheid waarin jij je werk doet?

Op de blog van Punya Mishra vind je nog zestien andere voorbeelden van demotiverende posters.

Over eskimo’s en de liefde voor je klant

Het is zomervakantie en met m’n familie trek ik een aantal weken dwars door Canada. We zien regelmatig winkeltjes waar souvenirs van lokale ‘esquimaux’ worden aangeboden. Terwijl we langs zo’n winkeltje rijden moet ik denken aan de legende dat deze eskimo’s veel meer woorden voor sneeuw hebben dan wij.

Of dat helemaal waar is, is de vraag. Feit is wel dat mensen die zich veel bezig houden met een onderwerp daar vaak een uitgebreide woordenschat voor ontwikkelen. Zo verzuchtte een collega van me die terug kwam van een half jaar werken in Spanje eens “dat spanjaarden wel veertig verschillende woorden voor de liefde kennen”. Ze was onder de indruk van de grote rol die de liefde in de spaanse cultuur inneemt en vond de varianten van liefde die wij benoemen maar beperkt.

We kennen de verliefdheid van vlinders in je buik en de liefde tussen gehuwden. Maar hetzelfde woord ‘liefde’ gebruiken we ook voor de relatie tussen ouders en kinderen. Daarnaast kennen we woorden als ‘passie’, ‘vriendschap’ of ‘enthousiasme’. In de praktijk ervaar ik vaak dat er veel meer varianten van liefde zijn, waar we eigenlijk geen goed woord voor hebben.

Ook in het zakenleven speelt liefde, vaak onbenoemd, een grote rol. Waarom gebruiken we het algemene woord ‘liefde’ voor iemand met een passie voor z’n vak? Hoe noem je bijvoorbeeld de sprankelende band die collega’s of vrienden kunnen hebben, zonder dat er sprake is van een fysieke relatie? Dit zijn duidelijk varianten van liefde, waar we nog geen specifiek begrip voor hebben ontwikkeld. 

Een belangrijke vorm van zakelijke liefde is de relatie tussen een bedrijf en haar klanten. Deze relatie kan vele gezichten hebben. Ze kan louter calculatief berekenend zijn, maar ook zijn gebaseerd op een sterke band of onderling vertrouwen. Ik vind dat het voor organisaties belangrijk is om stil te staan bij hun liefde voor de klant. Hoe diep zit die liefde in jouw organisatie eigenlijk? Hoe laat die liefde zich het beste omschrijven? Er zijn teveel organisaties die met de mond belijden dat ze klantgericht zijn, maar bij wie de liefde alleen betrekking heeft op de financiële kant van de relatie. Zo’n geld-gerichte relatie is echter koud als sneeuw in een kille winternacht. Je hoeft niet veel eskimo-taal te kennen om dat te begrijpen.

Ontvang elke week vanzelf de nieuwe artikelen in je e-mail
Naam
E-mailadres

Zoeken op deze website